Bestuurskunde en bestuur, een verstoorde relatie?

De Bestuurskunde heeft als wetenschappelijke discipline altijd een boeiende relatie met de praktijk van het besturen gehad. Het kenobject, het besturen/openbaar bestuur, praat immers terug, in een specifieke taal, zoals Paul Frissen het in zijn afscheidsartikel als hoofdredacteur van het blad Bestuurskunde uitdrukt. Die relatie praktijk – theorie heeft in de bestuurskunde ook een hoge, directe inzet door de intensieve interactie van practitioners en wetenschappers. Het ‘kenobject’ laat zich regelmatig kritisch uit over de relevantie van de bestuurskunde voor de praktijk. Die is ‘abstract’, ‘niet bruikbaar voor de praktijk’ en/of ‘alleen maar kritisch en niet behulpzaam’. En wetenschappers hebben niet zelden heftige meningen over de kwaliteit van het openbaar bestuur, of vinden een oordeel daarover vanuit een wetenschappelijke invalshoek niet meer zo interessant.

Het debat over die relatie tussen theorie praktijk lijkt in scherpte toe te nemen. Bijvoorbeeld over de vraag of wetenschappelijke relevantie bevorderd wordt door een wetenschappelijke gemeenschap die in het Engels publiceert in internationale wetenschappelijke vakbladen. Peer reviewed, maar nauwelijks door practitioners in het veld gelezen. Of wordt die relevantie juist bevorderd door een gemeenschap van wetenschappers en practitoners die samen, gericht op de specifieke praktijk in een land, met elkaar en in de landstaal communiceren in bij praktijken betrokken vakbladen? Maar evengoed gaat het over de vraag of de praktijk zich wel openstelt voor wetenschappelijke inzichten, in plaats van bijvoorbeeld te volharden in vaak bestuurscentrische attitudes, zonder zich iets van de wetenschap aan te trekken die al jaren het risico daarvan aangeeft. 

Ontwikkelen zich kortom theorie en praktijk als steeds meer geïsoleerde op zich zelf betrokken communities, met hun eigen ‘logica’ van kwaliteitsontwikkeling? Hoe is die relatie theorie – praktijk dan vorm te geven? Of is in deze tijd van  heftige vragen over positie en aard van het openbaar bestuur een veel meer interactieve, specifieke relatie tussen theorie en praktijk wenselijk en mogelijk? Over deze vraag  gaat een panel van experts uit wetenschap en praktijk met elkaar en het publiek in discussie.

Panelleden zijn vanuit de wetenschap prof.dr. Paul Frissen, prof.dr. Willem Trommel, prof.dr. Mirko Noordegraaf en prof.dr. Walter Kickert en vanuit de praktijk ir. Hans van der Vlist (secretaris-generaal van VROM). Het panel wordt voorgezeten door prof.dr. Mark Bovens.

Deze sessie komt tot stand bij wijze van afscheid van Paul Frissen als redactievoorzitter van Bestuurskunde, het wetenschappelijk tijdschrift van de Vereniging voor Bestuurskunde en wordt mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Het genoemde afscheidsartikel van Paul Frissen is hier toegankelijk.